Egypte ontdekken
Het was niet Napoleon die, toen hij een team geleerden meenam naar het front, Egypte ontdekte. Al eerder waren er Griekse reizigers geweest, zoals Herodotos van Halikarnassos, die een priester interviewde over de bronnen van de Nijl. Er was de Romeinse officier Ammianus Marcellinus, die een correcte vertaling wist te geven van de hiëroglyfen. Er was kalief Al-Ma’mun, die de Grote Piramide opende en daar een mummie vandaan haalde. En er zijn altijd Egyptenaren geweest die naar de aloude monumenten keken, zich afvroegen wat dat waren en zo grondslagen legden voor wat nu egyptologie heet.
Egypte als ontdekking
Het is dan ook terecht dat de huidige expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, gewijd aan het ontdekken van Egypte, begint met Arabische visies op het antieke Egypte. Al-Masudi komt langs, die u op deze blog eerder bent tegengekomen. Pas na de Arabische ontdekkers stelt het museum de West-Europeanen aan de bezoekers voor: eerst kunstenaars als Cornelis de Bruijn, later ook wetenschappers.
Cornelis de Bruijn, Piramiden en Sfinx van Giza
Die laatsten vormen een rode draad door de tentoonstelling, waarin veel filmpjes zijn te zien van onderzoekers die hun werk uitleggen: onderzoek naar de volksverhalen waarmee de geïslamiseerde bevolking de faraonische monumenten duidde, opgravingen, röntgenonderzoek naar een krokodillenmummie, de chemische analyse van goud, museale ethiek.
Ik ben blij met deze uitleg. Een kwart van de vragen die het publiek stelt, komt namelijk neer op “hoe weet je wat je zegt te weten?” Als een geesteswetenschappelijke instelling een publicitaire storm te verwerken krijgt, zoals de laatste tijd regelmatig gebeurt, is daaraan strijk en zet ruimte geboden doordat is verzuimd het wetenschappelijk proces en zijn methoden proactief uit te leggen.
Antiquarisme
Behalve aandacht voor de ontdekkers is een deel van de Leidse expositie gewijd aan wat nu eigenlijk is ontdekt. In feite wordt de museumbezoeker hier dus zelf ontdekker. Helaas is dit deel wat fantasieloos. Het gaat om de traditionele thema’s die zijn te vinden in vrijwel elk museum met een egyptologische collectie. Dagelijks leven in het oude Egypte (in Leiden nu uitgelegd aan de hand van de opgraving van het dorp Shokan). Religie in het oude Egypte (uitgelegd aan de hand van een voorspelbare verzameling bronzen godenbeeldjes). De dood in het oude Egypte (uitgelegd met grafkisten).
Grafkisten (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
De meeste van de getoonde voorwerpen behoren niet tot de vaste Leidse opstelling; ze komen uit het rijke depot. Voor een fanatieke oudheidliefhebber is hier dus veel nieuws te zien, en aangezien ik een fanatieke oudheidliefhebber ben, heb ik hier een aangenaam anderhalf uur doorgebracht. Vooral fijn is dat voorwerpen die bij elkaar horen maar verdeeld zijn geraakt over de collecties Leiden en het Louvre in Parijs, nu samen komen. Maar het gekozen thema’s bieden dus meer van hetzelfde.
Om precies te zijn: ze bieden meer traditioneel antiquarisme. Daarmee bedoel ik dat egyptologische collecties nogal eens aspecten van het leven documenteren, maar er geen sociaalwetenschappelijk verhaal van brouwen, terwijl archeologen toch beweren dat ze een sociale wetenschap beoefenen. Dit komt beter uit de verf in de musea uit het voormalige Oostblok, die minder kunsthistorisch georganiseerd zijn en de oude culturen plaatsen in de opvolging van maatschappijtypen. Zij benadrukken bijvoorbeeld handel en de internationale context in plaats van de weinig verrassende grafcultuur.
Sterke punten
Ik zou zelf dus andere thema’s hebben gekozen, maar denk ook dat de conservatoren de doelen die zij stelden, hebben gehaald. De expositie heeft bovendien een paar heel sterke kanten. Om te beginnen zijn, zoals ik al opmerkte, stukken samengebracht die samen horen en zelden samen zijn. Dat kan een grafensemble zijn of een verzameling gouden sieraden. Het ruimhartige internationale leenbeleid van de musea werpt vruchten af.
Armbanden van generaal Djehuty (doorgaans in het Louvre)
Een tweede sterk punt, dat ik ook al aanstipte, is uitleg van wat oudheidkundigen nou eigenlijk doen. Daar had weliswaar uitleg bij gemoeten van het proces van hypothesevorming en -toetsing, maar het is een stap in de goede richting. Oudheidkundigen doen echter meer dan ontdekken en onderzoeken: ze verzamelen ook, en het is goed dat het museum aandacht besteedt aan verzamelgeschiedenis. Superslim gekozen was de verwijzing naar de mummies die ooit hingen in het Leidse Theatrum Anatomicum. Dat is immers slechts 500 meter verderop te zien in het Boerhaavemuseum.
Menselijke resten ophangen: zo nonchalant gaan musea nu niet meer om met zulke delicate voorwerpen. Ze ontbreken dan ook op de Leidse expositie, en daar ben ik blij mee. Niet alleen getuigt die keuze van respect – “het gebod tot naastenliefde strekt zich uit tot het verleden, tot de tot geschiedenis gewordenen”, zoals de Nederlandse historicus Arie van Deursen weleens zei – maar je boekt bovendien meer kenniswinst door in plaats van een mummie een röntgenfoto te tonen.
En dan is er de museale inclusiviteit. Ik heb daar een uitgesproken mening over, namelijk dat een tentoonstelling zich kan beperken tot specifieke doelgroepen, maar dat het gebouw toegankelijk moet zijn voor iedereen. Een museum heeft dus een invalidentoilet en ontsluit hogere verdiepingen voor rolstoelers, en het jaagt astmatici en hyperacusispatiënten niet weg met rook- en geluidseffecten. Dat zit in Leiden goed.
Een grafensemble (deels Leiden, deels Parijs)
Ik voor mij ben ook blij dat de Engelstalige uitleg beperkt is gebleven, zodat er meer ruimte is voor Nederlandstalige diepgang. Te vaak blijft museale uitleg, doordat ruimte wordt benut om inclusief te zijn voor Engelstaligen, op het onbenullige af oppervlakkig. Niet iedereen zal het eens zijn met mijn prioritering van goede Nederlandstalige informatie boven algemene informatie in de taal van buitenlandse bezoekers, maar ik was nu in mijn nopjes. Al erken ik dat degene die zou zeggen dat de uitleg ook wel in het Arabisch had gemogen, een houtsnijdend argument heeft.
Tot slot
Aan het einde leggen verschillende geleerden in een geluidloos filmpje nog even uit wat het belang is van het oude Egypte. Arabiste Petra Sijpesteijn, werkzaam in Leiden, verwoordt het mijns inziens het best: omdat je de wereld leert zien vanuit een ander perspectief.
Het is krek zo. Dat is waarvoor we geesteswetenschappen hebben en waarom er musea zijn voor oudheidkundige en etnografische collecties: om te herkennen dat ons eigen perspectief ook maar een mening is, dat andere visies bestaan en – vooral – dat er redenen zijn waarom anderen denken zoals zij denken en waarom wij denken zoals wij denken. Door het constateren van cultureel verschil en overeenkomst, begrijpen we onszelf beter. De bestudering van de cultuur van de oude wereld, hartstikke voorbij en leerzaam doordat ze hartstikke voorbij is, is welbeschouwd een narcistische bezigheid, maar ik weiger zelfkennis belachelijk te vinden.
PS
De expositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden duurt nog tot medio maart. Meer informatie hier. Er zijn, zoals gezegd, geen menselijke resten te zien, en die ontbreken ook in de vaste opstelling in de Egyptische afdeling. Dat maakt het ook voor kinderen toegankelijk. Voor hen is er momenteel ook een niet enge tentoonstelling over antieke monsters.
[Eerder verschenen op VersTwee.]
#AlMaMun #AlMasudi #AmmianusMarcellinus #antiquarisme #ArieVanDeursen #CornelisDeBruijn #HerodotosVanHalikarnassos #inclusiviteit #NapoleonBonaparte #PetraSijpesteijn #RijksmuseumVanOudheden #Shokan