#inscriptie

2025-12-29

Bronnen

De brand van de Hindenburg

Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen in mijn reeks “vragen rond de jaarwisseling” en ik heb de vier blogjes met antwoorden inmiddels geschreven. Morgen de eerste aflevering. Eén vraag was echter meer complex. Ze betrof de bronnen en het antwoord vergde een apart stukje, dus bij dezen.

Kan je nog eens de definities herhalen/bevestigen van een primaire en een secundaire bron?

Een primaire bron is een tekst die rechtstreeks verslag doet van een gebeurtenis. Denk aan de notulen van een vergadering of een staatsverdrag, maar ook aan een ooggetuigenverslag – en dat kan een brief zijn, een foto, een krantenartikel, een inscriptie of een filmpje van een brandende zeppelin. Doorgaans vindt de historicus primaire bronnen in archieven of in een bronnenuitgave; voor Romeinse inscripties is er bijvoorbeeld de EDCS.

Een secundaire bron is op te vatten als een narratief, gebaseerd op primaire bronnen. Dat kan een biografie zijn, of een monografie over een klein onderwerp of een synthese. Als een secundaire bron conflicteert met een primaire bron, is er meestal iets niet in de haak.

Voor de oudheidkundige is dit onderscheid overigens wat lastig. Er zijn antieke secundaire bronnen, maar die zijn minimaal ten dele gebaseerd op geruchten en andere mondelinge informatie, terwijl we niet kunnen controleren welke primaire bronnen zijn gebruikt, zo dat überhaupt al het geval is. Maar deze secundaire bronnen vormen dus de basis van onze eigen geschiedschrijving over de Oudheid – die we dus eigenlijk tertiair zouden moeten noemen.

Zijn er namen voor bronnen waarvan het origineel fysiek bewaard is gebleven en bronnen die we alleen indirect kennen?

In de eerste categorie vallen (voor de oudheidkundige) de papyri, de kleitabletten en inscripties, waarbij ik aanteken dat de naam “papyri” ook wordt gebruikt voor teksten op perkament of leer. Een echte verzamelnaam voor authentieke teksten ken ik niet. Literaire teksten die we alleen indirect kennen, kunnen worden aangeduid als kopieën.

Maar gekopieerde literaire teksten kunnen natuurlijk ook weer verwijzen naar eerdere, indirect gekende teksten: nogal wat secundaire bronnen zijn alleen bekend als middeleeuwse kopie en citeren primaire bronnen. De moderne lezer zit dus met een internetuitgave van een moderne tekstuitgave van een gereconstrueerde tekst, gebaseerd op middeleeuwse kopieën van een antieke secundaire bron die een primaire bron citeert.

Waar worden fysieke kopieën bewaard?

Inscripties kunnen nog in situ zijn, of in lapidaria, of in musea. Papyri liggen meestal in museale depots.

Wordt er intussen gewerkt aan digitalisering?

Volop. Voor papyri is er bijvoorbeeld Trismegistos, voor Latijnse inscripties de al genoemde EDCS. Veel middeleeuwse manuscripten zijn inmiddels gefotografeerd. Dat geldt ook voor de belangrijkste papyri en daarbij worden diverse lichtsoorten en diverse soorten software gebruikt, waardoor nog weleens iets zichtbaar wordt dat eerst niet zichtbaar was. Anders gezegd: gebruik nooit een oude tekstuitgave, al is er niet altijd een recente.

Zijn er vermoedens van geschreven bronnen die ergens opgeslagen liggen maar niet bekend zijn?

In Oxford liggen een half miljoen papyri op uitgave te wachten. In Londen zo’n 100.000 kleitabletten. We kunnen nog wel even vooruit.

#inscriptie #papyri #primaireBron #secundaireBron #vragenRondDeJaarwisseling
2025-12-23

Faits divers (46): oosterse data

Een inscriptie in Arabische letters zonder puntjes (Wadi Rum)

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer de uitbreiding van het databestand in Mesopotamië en Arabië, waarbij ook allerlei Grieken en Romeinen opduiken.

Spijkerschrift

Ik heb weleens geblogd over de omvang van het overgeleverde corpus van de diverse oude talen, want wetenschappers hebben een jaar of twintig geleden eens uitgeknobbeld hoeveel woorden er over zijn. Over het belang en de methode van zo’n exercitie valt een boom op te zetten, en er is ook wel kritiek op, maar sommige conclusies zijn duidelijk: van de oude talen vóór 300 na Chr. is het Grieks, gemeten aan het overgeleverde aantal woorden, met afstand het grootst. Op een gedeelde tweede plaats stonden het Latijn en het Akkadisch, de spreektaal van de Babyloniërs en Assyriërs en de taal van de internationale diplomatie in de Bronstijd. Het Akkadische corpus blijft groeien: elk jaar worden meer kleitabletten opgegraven dan gepubliceerd.

Dankzij moderne scanners kunnen kleitabletten vrij snel worden ingelezen en de ingekraste tekens zijn met moderne computertechnieken te lezen. Het is niet zo dat het transcriberen van een Akkadische tekst nu appeltje-eitje is, maar er zit schot in de zaak. De volgende stap is de vertaling, ongeveer zoals u DeepL of Google Translate kunt gebruiken. De flessenhals is dat de artificiële intelligentie een digitale kennisbasis (knowledge base) nodig heeft. De tienduizenden teksten die al in digitale vorm bestaan, zijn daarvoor eigenlijk te weinig. Maar opnieuw: er komt schot in de zaak, de grootste filologische data-explosie aller tijden komt binnen handbereik en hier is een initiatief waaraan u kunt meewerken.

U moet natuurlijk wel Akkadisch kunnen lezen. En wat zo aardig is: Ex Oriente Lux biedt net een cursus aan.

Het vroege Arabië

Meer geschreven data: dat geldt niet alleen voor Akkadische teksten uit Mesopotamië, maar ook voor de talen van het oudste Arabië. Dus zeg maar Syrië, Jordanië en het noorden van Saoedi-Arabië; later ook noordelijk en westelijk Irak en zuidelijk Saoedi-Arabië, en uiteraard nog meer na het ontstaan van het Kalifaat. Ik beschrijf deze korte geschiedenis omdat het misverstand dat het Arabisch zich langs de Wierookroute van zuid naar noord verspreidde, blijft terugkeren, waarbij de aanname dan is dat het Arabische Schiereiland een cultuurcentrum was dat de Arabische cultuur “uitzond”.

Dat ligt dus anders en dat inzicht danken we aan de duizenden en duizenden Arabische inscripties die de afgelopen kwart eeuw zijn gepubliceerd. Onze kennis van de antieke Zuid-Semitische talen, zoals het Safaïtisch, is spectaculair gegroeid. U vindt de inscripties, kort en lang, op de website OCIANIA. De webmasters hebben een leuk overzicht gemaakt van de intrigerendste ontdekkingen van 2025. Zoals:

Het interessantst is een slaaf die zijn stamboom geeft, wat extreem zeldzaam is in de oude wereld, en die zijn meesters aanduidt met de Aramese/Hebreeuwse naam Ismaëlieten. Dit illustreert dat de naam “Arabieren” lang niet altijd gangbaar is geweest. In de oudste, voor-Arabische talen van Jemen was het zelfs een verwijt iemand aan te duiden als Arabier. Het voornaamste punt is hier dat we de complexiteit van dit deel van de oude wereld steeds scherper in zicht krijgen.

Ik rond dit blogje belerend af met een waarschuwing: ook al groeit de omvang van ons databestand, dat is op zich geen wetenschap. De verwerving van data is slechts een voorwaarde voor wetenschap. Het feitelijke werk is de interpretatie; het belang is de vergelijking met het heden, waardoor we onszelf beter leren kennen; en nieuws is het alleen als er nieuwe soorten inzicht zijn. Dit blogje was dan ook alleen geschreven voor u, oudheidliefhebber.

#Akkadisch #ArabischeTalen #artificiëleIntelligentie #bronnenuitgave #DeepL #FaitsDivers #Google #inscriptie #kleitablet #Safaïtisch
2014-08-10

Imperator

De imperator-inscriptie uit het Louvre

Voor de bovenstaande bronzen plaat, gevonden bij Cádiz in Andalusië, ben ik eens speciaal naar het Louvre gegaan. Vooruit, ik was al in Parijs en zou er vroeg of laat toch wel zijn beland, maar toch. De inscriptie is interessanter dan ze op het eerste gezicht lijkt; als u de Latijnse tekst precies wil lezen, kan het hier.

De strekking is dat de Romeinse veldheer Lucius Aemilius Paullus, die later de Macedoniërs zou onderwerpen, de burgers van een dorp ontsloeg van de diensten die ze moesten verrichten als slaven voor hun burgers in Hasta, het huidige Mesas de Asta. Een en ander gebeurde ergens tussen 191 en 189 v.Chr.

So far, so good. Het gaat om Aemilius’ titel, die valt te lezen op de eerste regel: Inpeirator. Dat is een oude spelling van “imperator”, een titel die Romeinse commandanten van hun soldaten kregen na een overwinning. Een beetje raar: alsof de soldaten een aanvoerder zouden moeten erkennen. Je roept je generaal toch niet uit tot generaal?

De eerste keer dat we van de titel horen, is als Iberische stamhoofden Publius Cornelius Scipio (de man die later Hannibal zou verslaan) tot koning willen uitroepen. Zoals een Romeinse republikein betaamde, weigerde hij dat, maar omdat het nogal grof was een eerbewijs te weigeren, stelde hij voor dat ze hem “imperator” zouden noemen.

Het aardige is nu dat de Griekse historicus Diodoros van Sicilië, die de carrière beschrijft van de Karthaagse generaal Hasdrubal, vertelt dat deze door de Iberische leiders was aangeduid als strategos autokrator. Dat is een Griekse titel die zoiets wil zeggen als “buitengewoon bevelhebber”, en die wel wordt gebruikt om het Latijnse imperator weer te geven.

Het is aannemelijk dat de Iberiërs het gebruik hadden succesvolle aanvoerders een eretitel te verlenen die duidelijk maakte dat hij een uitzonderlijk gezag had. Die kon in het Grieks worden weergegeven als strategos autokrator en in het Latijn als rex, koning, tot Scipio voorstelde er imperator van te maken. We weten niet welke titel de Iberiërs gebruikten, al kan het heel goed rix zijn geweest, een woord dat de acclamatie van Scipio begrijpelijk maakt.

In elk geval: het lijkt erop dat het Romeinse soldatengebruik hun aanvoerder nog eens extra te erkennen als commandant, uit Iberië stamt. Dat verklaart ook waarom Aemilius Paullus zich niet met zijn Romeinse titel, praetor, identificeert, maar een titel gebruikt die de plaatselijke bevolking herkende en gezag aan zijn beslissing gaf.

[Dit was de achtenvijftigste aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

#Andalusië #Cádiz #HasdrubalDeSchone #imperator #inscriptie #LuciusAemiliusPaullus #ScipioAfricanus #Spanje

De imperator-inscriptie uit het Louvre
2025-08-31

De onbekende god

Altaar voor een onbekende god (Antiquarium van het Palatijn, Rome)

We zullen vermoedelijk nooit weten wie Gaius Sestius Calvinius was, behalve dat hij in Rome het bovenstaande altaar oprichtte. Het is gevonden op de plek die bekendstaat als Velabrum, dat wil zeggen de doorgang tussen Palatijn en Capitool die het Forum Romanum verbond met het Forum Boarium, de veemarkt. De tekst, die bekendstaat als EDCS-17200112, is eenvoudig:

Sei deo sei deivae sac(rum)
C(aius) Sextius C(ai) f(ilius) Calvinus pr(aetor)
de senatinoot Je zou senatus hebben verwacht. sententia
restituit

Dat wil zoiets zeggen als

Aan hetzij een god, hetzij een godin
Door Gaius’ zoon praetor Gaius Sestius Calvinius
Op last van de Senaat
Heeft hij dit vernieuwd.

Er waren destijds vele goden, en het kon goed verkeerd gaan als je er een vergat. Gelukkig gaven de goden hun wensen door middel van voortekens te kennen, en dan waren er priesters die de zogeheten Sibillijnse Boeken raadpleegden. Die vertelden dan welke godheid wenste te worden toegevoegd aan het pantheon. Maar soms werd het voorteken niet begrepen en dan waren de rampen niet te overzien. Zo liet in 387 v.Chr. een onbekende godheid weten dat hij verering wenste door expliciet te spreken, maar de Senaat sloeg geen acht op de mysterieuze sprekende stem, en binnen de kortste keren leed het leger aan het riviertje Allia een nederlaag tegen de Galliërs, die vervolgens de stad bezetten en het Capitool belegerden. Kortom, je kon beter een altaar hebben waar je offerde aan goden die je ongewild was vergeten.

Zo’n altaar hebben we dus ook hierboven. Het dateert vermoedelijk uit de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr. Het werkwoord “heeft dit vernieuwd” bewijst dat dit soort altaren zorgvuldig werd gecontroleerd en op gezette tijden aangepast aan de eisen van de tijd. (Er is overigens een theorie dat de formulering “aan hetzij een god, hetzij een godin” diende om de naam van de beschermgoden van Rome niet te hoeven noteren, zodat vijanden die niet konden ontdekken, maar ik geloof die theorie niet omdat die namen algemeen bekend waren.)

Zo’n altaar was natuurlijk ideaal voor religieuze vernieuwers. De Handelingen van de apostelen vertellen dat de apostel Paulus verwees naar zo’n monumentje toen hij in Athene een nieuwe tak van jodendom kwam uitleggen:

“Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: ‘Aan de onbekende god’. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.”noot Handelingen 17.22b-23; NBV21.

En daarmee rond ik mijn zondagse blogje over het Nieuwe Testament af.

[Dit was het 505e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Een overzicht van de reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#Athene #HandelingenVanDeApostelen #inscriptie #NieuweTestament #onbekendeGod #Paulus #priesterschap #Rome #SibillijnseBoeken #voortekens

2025-08-08

Saturnus Africanus (2)

Wijding aan Saturnus Africanus (Nationaal archeologisch museum, Algiers)

[Dit is het tweede van twee blogjes over Saturnus Africanus. Het eerste was hier.]

Het onderzoek naar de inscripties is al begonnen in de negentiende eeuw en de grote Algerije-kenner Stéphane Gsell vatte het allemaal samen. Daaraan voegde Marcel Le Glay in 1966 de resultaten van driekwart eeuw archeologisch onderzoek toe; u vindt de monografie hier. Daarna zijn er deelpublicaties geweest, maar ik ken geen andere synthese dan die van Le Glay. Die behandelt gelukkig wel een veelvoud aan aspecten, zoals de eigenlijke eredienst.

Verering

Er was, zo begrijp ik, onderscheid tussen de priesters (sacerdotes) en de ingewijde gelovigen (sacrati), die bij wijze van initiatie onder een juk moesten doorgaan. Een ander ritueel was het samen drinken van een honing-melk-drank. Ouders konden, zoals met de christelijke kinderdoop, baby’s al opdragen aan de bescherming van de god. De Saturnus-eredienst stond dus niet voor iedereen open; je moest een keuze maken voor toetreding, waarna er eisen aan je werden gesteld. Die doen zo oosters aan als je verwacht bij een godheid die minimaal ten dele uit Fenicië komt: je moest je schoenen uitdoen als je een heiligdom betrad en je mocht geen varkensvlees eten. En je moest je zoveel mogelijk onthouden van de verering van andere goden. Saturnus was niet zomaar een god, hij was simpelweg de heer, ba’al ofwel dominus.

Wijding aan Saturnus (Archeologisch museum, Guelma)

Gegeven het enorme aantal inscripties, was Saturnus meer dan zomaar een god. Hij was simpelweg dé god. Ter vergelijking: er zijn uit de genoemde regio 106 voor Hercules, 117 voor Minerva en 246 voor Mercurius. Dat Saturnus de Africaanse oppergod was, blijkt ook wel uit het feit dat de officiële oppergod, Jupiter dus, is vertegenwoordigd met slechts 46 inscripties. (Ik sluit niet uit dat ik verkeerd heb gezocht.)

De eretitels verraden een veelheid aan aspecten. Als Saturnus Balcaranensis is hij de god van de heilige berg Bou Karnine; hij heet Pater (vader), Genitor (schepper), Frugifer (vruchtvoortbrenger), Sanctus (heilig), Aeternus (eeuwig) en Deorum omnium princeps (eerste onder alle goden).

Het is interessant dat een godheid die weliswaar een Latijnse naam had maar toch vooral een NumidischFenicisch syncretisme belichaamt, zo belangrijk was. Le Glay oppert dat de populaire oosterse, door ingewijden als enige godheid te vereren oppergod in feite de wegbereider was voor de oosterse godheden die eveneens niet accepteerden dat hun ingewijden andere goden vereerden – Christus en Allah.

Saturnus Africanus in Tiddis

Intermezzo

Tot zo ver. Een actuele synthese heb ik niet kunnen vinden. Dat is wat verontrustend, en niet alleen omdat onderzoek begint te verouderen op het moment dat een manuscript wordt afgerond. Er is, als het gaat om antieke religie, een perspectiefwisseling geweest.

Kort door de bocht samengevat komt het erop neer dat antieke religie lang bekeken is geweest vanuit een christelijk perspectief. Zo interpreteerden oudhistorici het jodendom (althans tot het Nieuwe Perspectief op Paulus), grosso modo zoals christelijke theologen dat hadden gedaan. Ging het om het heidendom, dan namen oudheidkundigen laatantieke christelijke polemiek, zoals de bewering dat een taurobolium een doop in stierenbloed zou zijn, vrij kritiekloos over.

Uitgestorven zijn die vooroordelen bovendien niet. Op de expositie “Boven het maaiveld” wordt de christelijke laster dat heidenen religie slechts als transactie zagen (do ut des), zonder blikken of blozen herhaald. Het christendom behoudt zo zijn invloed, ook waar wetenschappers allang beter weten.

Wijding aan Saturnus Africanus (Archeologisch museum, Sétif)

Door een combinatie van factoren, zoals de ontkerkelijking en de ontsluiting van nieuwe (archeologische en tekstuele) data, kijken oudheidkundigen inmiddels anders naar antieke religie. Opnieuw kort door de bocht: we zien hoe onbruikbaar het concept is. De term is sowieso alleen in zéér algemene zin te definiëren en mede daardoor zijn vrijwel alle generalisaties zinledig. Zoals het christendom zich verhoudt tot de islam zoals rugby zich verhoudt tot tennis, zo moet de verering van Saturnus Africanus zich tot het christendom hebben verhouden zoals dammen tot schansspringen.

Nieuwe visies op religie, dezelfde Saturnus

En dan wordt de door Le Glay geboden reconstructie eigenlijk wat verdacht. Hij schetst een eredienst voor Saturnus die op nogal wat plekken gemodelleerd lijkt op het christendom, met inwijdingsrituelen en priesters en hiernamaalsgeloof en exclusivisme en eeuwigheid en schepping en voedselrituelen en baby-bescherming. Het enige dat ontbreekt is een heilig boek.

Ik trek Le Glays integriteit allerminst in twijfel, maar ik sluit niet uit dat hij in zijn betoog dingen heeft uitgelicht die aansloten bij zijn impliciete, op het christendom gebaseerde definitie van religie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat hij Tertullianus’ opmerking dat Tiberius mensenoffers verbood, niet heeft herkend als een verzonnen heidense erkenning dat Jezus’ kruisdood het ultieme offer was geweest dat andere offers overbodig maakte.

Eigenlijk zou ik over Saturnus Africanus iets moderners willen lezen (zoals er over het jodendom, het christendom en de verering van Mithras volop boeken zijn die niet zijn geschreven met in het achterhoofd een beeld van het christendom), maar ik heb het niet kunnen vinden. Voor suggesties staat de commentaarsectie open.

#AfricaProconsularis #Algerije #BaälHammon #inscriptie #Kronos #MarcelLeGay #Marokko #MauretaniaCaesariensis #MauretaniaTingitana #Mithras #NieuwePerspectiefOpPaulus #Numidië #RomeinseReligie #Saturnus #SaturnusAfricanus #StéphaneGsell #syncretisme #taurobolium #Tiberius #Tunesië

2025-08-08

Saturnus Africanus (1)

Saturnus Africanus (Musée du Bardo, Tunis)

Je hoeft geen Latijn te kennen om te begrijpen dat “Saturnus Africanus” de godheid Saturnus is zoals die werd vereerd met Afrikaanse rituelen. Wie Tunesië, Algerije of Marokko bezoekt, kan niet om deze Romeinse godheid heen, al was het maar omdat hij staat vermeld in bijna 2500 gepubliceerde Latijnse inscripties, gevonden van Karthago in het oosten tot Volubilis in het westen. Vaak staat hij op die inscripties ook afgebeeld; er zijn verder honderden afbeeldingen zonder tekst. Ook zijn 200 cultusplaatsen bekend. Het bovenstaande reliëf was tien jaar geleden een van de pronkstukken op de Karthago-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden; als u het daar niet zag, zult ervoor Tunis moeten, naar het Bardo-museum.

Van boven naar beneden herkent u de god, gezeten op een troon, met een scepter en een snoeimes in de hand, met vóór hem het hoofd van óf zijn echtgenote Venus Caelestis óf de zon. Onder hem ziet u degene die deze stèle heeft opgericht. Hij staat op het punt een lam te offeren. De vlammen laaien al op van het altaar. Er zijn honderden van dit soort afbeeldingen. De baardige godheid draagt vaak een kleed over het hoofd en gaat niet zelden vergezeld van de goddelijke Tweelingen of de Zon en Maan.

Hammon, Ba’al, Kronos, Saturnus

De Maghrebijnse Saturnus is een meervoudige godheid. Voor zover te reconstrueren was er eerst een Fenicische godheid, meegenomen door de Fenicische kolonisten aan de kust, en gecombineerd met een lokale godheid die we niet kennen. Deze Ba’al Hammon werd de stadsgod van Karthago, en had Tanit als echtgenote. Of zij een Fenicische of een plaatselijke godin is, is onbekend. De Grieken stelden de Karthaagse Ba’al Hammon gelijk aan hun Kronos, wat opmerkelijk is, aangezien ze in Fenicië de god El gelijkstelden aan hun Kronos. Toen de Romeinen de Maghreb overnamen, stelden ze de lokale Hammon ≡ de Fenicische Ba’al ≡ de hellenistische Kronos gelijk aan hun Saturnus, en omdat de inscripties zijn gesteld in het Latijn, is hij onder die naam het beste bekend.

Tanit werd voortaan aangeduid als Venus Caelestis, “hemelgodin”, wat ook al wonderlijk is, omdat de hemelgod meestal mannelijk is. Bovendien wordt Tanit ook gelijkgesteld aan Juno.

Saturnus Africanus met de goddelijke Tweelingen (Archeologisch museum, Sétif)

Wiens syncretisme?

Wat dit alles betekent? In elk geval dat de Grieken en Romeinen de lokale ideeën niet zomaar naar hun hand konden zetten. Ze konden zelf dan wel denken dat de hemel mannelijk was, maar konden er in de Maghreb niet omheen dat men het daar anders zag. En in de klassieke teksten mocht Kronos dan de Griekse naam zijn van de oosterse El, in Africa was Kronos/Saturnus gelijk aan Ba’al Hammon. De Romeinen hadden het maar te accepteren.

Dat de gelijkstelling niet plaatsvond op Romeinse maar inheemse voorwaarden, wordt bevestigd door het feit dat er geen Saturnus-inscripties bekend zijn uit Tripolitana, hoewel die regio in het noordoosten van het huidige Libië wél behoorde tot de provincie Africa Proconsularis. Als de Romeinen het syncretisme hadden verzonnen, zou de godheid overal Saturnus hebben geheten, maar de bewoners van Tripolitana bepaalden anders. Hier vinden we dus de verering van Jupiter Ammon.

Saturnus Africanus had ook geen Italisch takenpakket. Daar was Saturnus een vrij onbeduidende graangod. In de Maghreb was Saturnus een schepper, zorgde voor regen, beschermde behalve het graan ook andere gewassen, regelde de vruchtbaarheid van de dieren en mensen, liet de zon en maan opkomen, was aanwezig op grafvelden, garandeerde een eeuwig leven en beschermde de koning (bijvoorbeeld Juba II) en de keizer. Ook de verstedelijking ressorteerde onder Saturnus. Wat we dus zien is niet de romanisering van een Maghrebijnse godheid, maar de maghrebisering van een Italische god.

Evengoed waren er Romeinse invloeden, zoals de afbeeldingen met guirlandes en de geleidelijke vervanging van cultusplaatsen in het open veld of op heuveltoppen door meer klassieke tempels. Tertullianus, een christelijke auteur die uit Africa stamde en er dus met z’n neus bovenop zat, kent een andere Romeinse invloed: hij vertelt dat de kinderoffers die ooit aan de oude god werden gebracht, ten tijde van keizer Tiberius waren verboden. Op afbeeldingen zien we dat in plaats van een kind een schaap werd geofferd.

Een heuveltop met een tempel van Saturnus Africanus (Thuburbo Maius)

Uiteindelijk maakte de verering van de Maghrebijnse Saturnus plaats voor de overal in de Romeinse wereld steeds populairdere Christus. De inscripties en afbeeldingen worden zeldzamer naarmate het christendom populairder wordt. De laatste precies dateerbare Saturnus-inscriptie is uit 272, maar er zijn nog afbeeldingen uit de vierde eeuw en munten uit de tijd van de tijd van Theodosius I (r.378-395). De tempel van Venus Caelestis in Karthago functioneerde nog in het eerste kwart van de vijfde eeuw.

[wordt vervolgd]

#AfricaProconsularis #Algerije #BaälHammon #El #inscriptie #JubaII #Karthago #Kronos #Marokko #MauretaniaCaesariensis #MauretaniaTingitana #mensenoffer #Numidië #RomeinseReligie #Saturnus #SaturnusAfricanus #schaap #syncretisme #Tanit #Tertullianus #TheodosiusI #Tiberius #Tunesië #TweelingenHalfgoden_ #VenusPlaneet_ #VenusCaelestis #Volubilis

2025-07-28

Hoe dateer je een rotstekening of graffito?

Safaïtische inscriptie (Wadi Rum)

Een van de beroemdste blunders van de ooit onvermijdelijke egyptoloog Zahi Hawass was dat hij eens zei dat hij een koolstofdatering had gedaan van een inscriptie op een steen. Elke student weet dat zoiets niet mogelijk is. Alleen organisch materiaal ademt, alleen organisch materiaal neemt radioactieve koolstof op, alleen organisch materiaal sterft en stopt dan met koolstof opnemen, en daarom kan de mate van radioactiviteit alleen bij organisch materiaal dienen voor een datering. Hoe minder hoe ouder.

Maar als het niet met koolstof kan, hoe bepalen wetenschappers de ouderdom van inscripties, graffiti en rotstekeningen dan wel? Dit is een heel belangrijke vraag, aangezien het oudheidkundig databestand de afgelopen kwart eeuw is uitgebreid met tienduizenden Arabische graffiti. Ik overdrijf niet; u kunt ze bekijken op de website OCIANA. Die teksten kunnen kort en lang zijn, en ze vertegenwoordigen alle talen en dialecten van de Arabische taalfamilie, maar om deze schat aan informatie te kunnen benutten, moet je het materiaal kunnen dateren. Gelukkig zijn er verschillende methoden.

Relatieve datering

Om te beginnen kunnen archeologen, als er diverse tekeningen en letters zijn gekrast in een rots, kijken naar de kleur van de verwering. Het oppervlak van een rots in de woestijn is vaak wat donkerbruin, wat duidt op mangaan en ijzer – of eigenlijk: roest. Als je een kras maakt, krijg je een groef die lichter van kleur is. De verwering begint na het maken van de groef echter opnieuw, en in de loop der eeuwen wordt zo’n groef steeds donkerder, tot uiteindelijk de kleur niet meer van de omgeving is te onderscheiden. Hieruit volgt dat de inscripties die licht van kleur zijn, jonger zijn dan donkere. Anders gezegd: de mate van verwering helpt de relatieve chronologie vaststellen – we weten (min of meer) in welke volgorde de inscripties zijn vervaardigd.

Drie niveaus van verwering: het jongst is de beschadiging rechts, het oudst zijn de giraffen, en het mannetje links zit daar tussenin.

De relatieve chronologie kan vanzelfsprekend ook worden vastgesteld wanneer iemand een nieuwe graffito, rotstekening of inscriptie heeft geplaatst over een oudere. Met deze twee methoden kan de ontwikkeling van de rotskunst en de ontwikkeling van het schrift worden bepaald, en wordt een stilistische datering mogelijk. We weten bijvoorbeeld dat de oudste rotstekeningen in Libië bestonden uit afbeeldingen van heel grote wilde dieren, waar jagers opvallend klein bij stonden. Dit heet de “Periode van de Wilde Fauna”.

Een heel klein mannetje en een heel grote olifant uit de Wilde Fauna-periode (Wadi Mathendous)

In Saoedi-Arabië gaat daaraan nog de tijd van de zogeheten “curvy women” vooraf. In beide regio’s verschijnen later afbeeldingen van vee en worden de mensen afgebeeld met afmetingen die realistischer zijn in verhouding tot de dieren. Schrift komt nog later.

Absolute datering

Uiteraard willen we niet alleen weten wat vroeger en later was. We willen de dingen koppelen aan onze eigen jaartelling: een absolute datering. Ik heb al eens verteld dat de Libische rotstekeningen zijn gedateerd aan de hand van wat is afgebeeld: het eerste vee werd in Libië gedomesticeerd rond 4000 v.Chr., het paard maakte rond 400 v.Chr. zijn opwachting en de dromedaris pas rond 200 v.Chr. Zien we dus een paard, dan is de afbeelding vervaardigd ná 400 v.Chr. In Saoedi-Arabië bestaat een soortgelijk lijstje uit de dadelpalm (3000 v.Chr.), de dromedaris rond 1100 v.Chr. en het paard omstreeks 500 v.Chr.

Op dat moment zijn er al diverse schriftsoorten, zoals het Zuid- en Noord-Arabisch en het Aramees. Het Nabatees en het klassieke Arabische schrift volgen later. In het westen zijn er de Berber-alfabetten. Ze hebben allemaal hun eigen ontwikkeling, en paleografen kunnen een tekst aan de hand daarvan enigszins dateren. De inhoud zelf helpt natuurlijk ook. Er kunnen bijvoorbeeld koningen worden genoemd die we ook van elders kennen. Nog een meevaller: al vóór de islamitische kalender begon, waren er kalenders op het Arabische Schiereiland.

Dedanitische inscripties

Tot slot zijn er laboratoriumtechnieken. De Saoedische archeologische dienst onderzoekt momenteel of de dikte van een verweringslaag iets zegt over de ouderdom, maar dat is nog experimenteel. Experimenteel is ook een methode om de micro-erosie van kwartskorreltjes in de groeven te meten en die te ijken aan de hand van gedateerde inscripties.

Kortom: in Saoedi-Arabië wordt niet alleen het databestand snel uitgebreid, maar worden ook nieuwe methoden ontwikkeld. We mogen nieuwe soorten inzicht verwachten – en gewone inzichten zijn er al volop. Een recente synthese over de geschiedenis van het Romeinse Rijk, geschreven door Greg Fisher, heette The Roman World from Romulus to Muhammad, want het is steeds duidelijker dat het ontstaan van het Kalifaat en de opkomst van de islam niet zozeer middeleeuwse geschiedenis zijn, als wel la grande finale van de Oudheid.

#absoluteDatering #ArabischSchrift #ArabischeTalen #chronologie #dromedaris #GregFisher #inscriptie #koolstofdatering #Libië #OCIANA #paard #palmboom #PeriodeVanDeWildeFauna #relatieveDatering #SaoediArabië #WadiMathendous #ZahiHawass

2025-07-24

Een Gallische inscriptie uit Alesia

Gallische inscriptie uit Alesia (Bezoekerscentrum)

Gallische inscripties, die lees je niet dagelijks, en dat is ook logisch, want er zijn er niet veel. Het Gallische boek dat wij onderhand zo goed kennen,noot Xavier Delamarre, Dictionaire de la langue gauloise (2018); zie de stukjes over plaatsnamen, meer plaatsnamen, militaire termen, boerderijwoorden, kleding, andere Gallische woorden en nog meer Gallische woorden. biedt in een appendix een selectie van een stuk of zeventig korte en acht lange teksten. Een compleet overzicht verschijnt op de Recueil informatisé des inscriptions gauloises: een mooi gemaakte site waar je met plezier wat rondkijkt.

Alesia

De bovenstaande Gallische inscriptie is in 1839 gevonden in Alise-Sainte-Reine, en hielp om vast te stellen dat dat heuveldorp het antieke Alesia moest zijn geweest, waar Julius Caesar een belangrijke overwinning boekte op de Galliërs. De vorm is echter heel Romeins: een stuk kalksteen met daarin uitgehouwen een vierkant vlak, netjes omlijst met links en rechts twee driehoekige vleugeltjes. Zou het een Latijnse inscriptie zijn, dan zouden we het een tabula ansata noemen. De tekst is trouwens geschreven in Romeinse letters en een ligatuur, met leuke fleurons tussendoor, wat ook al bijdraagt aan het Romeinse aanzicht.

MARTIALIS DANNOTALI
IEURU UCUETE SOSIN
CELICNON ☙ ETIC
GOBEDBI DUGIIONTIIO
❧ UCUETIN ☙
IN ALISIIA

Martialis, de zoon van Dannotalos,
wijdde aan Ucuetis dit
bouwwerk ☙, samen met de
metaalsmeden, vererend
❧ Ucuetis ☙
in Alesia.

Ucuetis

Het heiligdom van Ucuetis bleek op dezelfde heuvel te liggen, nog geen honderd meter verderop. Er is daar een beeldje gevonden van een man met een hamer, dus Ucuetis zou weleens een smidsgod kunnen zijn. Daarvoor pleit ook dat Alesia beroemd was om zijn metaalwerkers. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere weet dat men

in de Gallische provincies heeft uitgevonden hoe koperen voorwerpen van een laagje wit lood voorzien kunnen worden en wel zó dat ze nauwelijks van zilver zijn te onderscheiden. Zulke voorwerpen noemen ze incoctilia (vertind gerei). Later begon men in de stad Alesia volgens hetzelfde procedé laagjes zilver aan te brengen, vooral op de versieringen van paarden en lastdieren en op jukken.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 34.162; vert. Van Gelder e.a.

Dat Ucuetis een Keltische god van de smeden was, wordt eveneens gesuggereerd door een tekst uit Ierland die bekendstaat als de Annalen van de vier meesters. Het gaat om vier franciscaner monniken die in de zeventiende eeuw een kroniek hebben gemaakt, gebaseerd op oudere teksten. Ze noemen daarin een koning Tighearnmas die zou hebben geregeerd van 1621 tot 1544 v.Chr., en tijdens zijn bewind

werd voor het eerst goud gesmolten in Ierland … Het was de ambachtsman Uchadan die het smolt. Het was dankzij hem dat voor het eerste bekers en mantelspelden werden bedekt met goud en zilver. Ook werden dankzij hem kleren paars, blauw en groen geverfd.noot Annalen van de vier meesters, jaar 3656.2.

De naam Uchadan lijkt wat op Ucuetis, dus ik noem het. Maar je zou voor de identificatie van de godheid als patroon van de smeden natuurlijk meer bewijs willen hebben dan een inscriptie, een beeldje en een zeventiende-eeuwse Ierse tekst.

De inscriptie uit Alesia is vervaardigd in het laatste derde van de eerste eeuw na Chr. Je vraagt je onwillekeurig af of Martialis en de metaalsmeden de Gallische taal hebben gebruikt om hun Gallische identiteit te benadrukken in een steeds Romeinser wordende wereld. En als dat zo is, valt op dat de man de goed-Latijnse naam Martialis droeg. Bijzonder is dat overigens niet. Mensen gaan immers pas oude identiteiten benadrukken op het moment dat nieuwe identiteiten al onmiskenbaar en onomkeerbaar aanwezig zijn.

[Dit was het 502e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Alesia #Frankrijk #Gallië #GallischeTaal #Ierland #inscriptie #PliniusDeOudere #Ucuetis #XavierDelamarre

2025-07-09

II Parthica, Romes strategische reserve

Felsonius Verus, standaarddrager van II Parthica. Hij heeft de adelaarstandaard van zijn legioen opgeruimd in een beschermende kooi, klaar voor transport (Apamea)

In de eerste twee eeuwen van onze jaartelling plaatsten de Romeinen hun legioenen niet ver van de Rijn, Donau en Eufraat. De transportwegen moesten immers worden bewaakt en bijkomend voordeel was dat een vijand altijd een rivier moest oversteken, wat meestal wat voorbereiding vergde en dus de verdediger tijdwinst opleverde. Het nadeel van deze vorm van lijnverdediging was dat als de vijand eenmaal was doorgebroken, hij meteen diep het imperium kon binnendringen. Vandaar dat in de Late Oudheid een mobiele strategische reserve bestond.

Ontstaan

Het initiatief kwam van keizer Lucius Septimius Severus (r.193-211). In het kader van zijn oorlog tegen het Parthische Rijk formeerde hij drie nieuwe legioenen: I Parthica en III Parthica bleven in het oosten, maar II Parthica ging met hem mee naar Rome, kreeg een basis op de Albaanse Berg en diende voortaan als strategische reserve. Het legioen, dat tevens diende als tegenwicht tegen de Praetoriaanse Garde in Rome, kreeg al snel een tweede bijnaam, Albana.

Archeologen hebben de begraafplaats op de Albaanse Berg geïdentificeerd en we beschikken ook over grafstenen uit andere delen van het Romeinse Rijk. Een interessant trekje is dat de legionairs van II Parthica niet alleen hun legioensnaam, maar ook hun centuria (bataljon) vermeldden. Alleen de soldaten van II Traiana Fortis die in Alexandrië hun kameraden begroeven, hadden dezelfde gewoonte. Dit suggereert dat de eerste soldaten van het Tweede Parthische Legioen zijn gerekruteerd onder de gelijkgenummerde Alexandrijnse eenheid.

Elf jaar afwezig

Een strategische reserve zet je doorgaans in op een bedreigd punt en omdat Rome in de derde eeuw nogal eens werd bedreigd, marcheerde II Parthica van hot naar her. Waarschijnlijk zette Septimius Severus het in tijdens zijn Britse campagne (208-211) en nam zijn zoon en opvolger Caracalla het legioen mee bij zijn veldtocht tegen de Alamannen in 213. Het bewijs hiervoor is een grafschrift uit Worms, dat echter ook kan verwijzen naar de Germaanse oorlogen van Severus Alexander of Maximinus Thrax (234-236). II Parthica heeft zeker tegen de Parthen gevochten in de campagnes van 214-217. De commandant was betrokken was bij de moord op keizer Caracalla en de troonsbestijging van Macrinus.

In de winter van 217/218 verbleef II Parthica in Apameia in Syrië, waar het de zijde koos van weer een nieuwe pretendent: Caracalla’s familielid Bassianus, beter bekend als keizer Heliogabalus, die op dat moment al de steun had van III Gallica. Na de troonsbestijging van Heliogabalus kreeg het legioen de bijnaam Pia Fidelis Felix Aeterna (“eeuwig trouw, loyaal en gelukkig”). Het is denkbaar dat de soldaten die tijdens de actie waren gesneuveld, als groep zijn begraven. De grafstenen stonden in Apameia op een veldje te wachten op een officiële publicatie, die er bij mijn weten nooit meer is gekomen. Of ze er nog staan, nu Apameia systematisch is geplunderd, weet ik niet, maar kijk wel even hier en daar.

In elk geval keerde II Parthica samen met Heliogabalus terug naar Rome (218/219). Het kan wel elf jaar uit Italië zijn weggeweest, als het legioen inderdaad deelgenomen heeft aan de campagnes in Schotland, tegen de Alamannen en tegen de Parthen.

Grafschrift uit Worms (Andreasstift)

Opnieuw op mars

In 231 vertrok keizer Severus Alexander naar het oosten om te strijden tegen een nieuwe vijand: de Sassanidische Perzen, die inmiddels de Parthen hadden vervangen. Opnieuw had II Parthica zijn winterverblijf in Apameia. De veldtocht verliep in zoverre succesvol dat de Perzische expansie een halt werd toegeroepen. Misschien behoren de hierboven genoemde grafstenen uit Apameia bij deze gevechten.

Vervolgens marcheerde Severus Alexander via de Balkan en langs de Donau naar het Rijnland, waar II Parthica opnieuw een rol speelde in een oorlog tegen de Alamannen. De soldaten waren aanwezig in Mainz toen Severus Alexander werd vermoord (235). Later steunden ze zijn opvolger Maximinus, die de Germaanse oorlog succesvol afrondde.

In de daaropvolgende jaren vocht II Parthica met Maximinus tegen de Sarmaten in wat nu Hongarije is, en nam het deel aan zijn campagne in Italië, waar de Senaat in opstand was gekomen. De senatoren hadden twee nieuwe keizers gekozen, Pupienus en Balbinus, en Maximinus was gedwongen op Rome te marcheren. De soldaten van II Parthica wisten echter dat hun familieleden als gijzelaars dienden en hadden weinig zin in deze oorlog. Ze doodden Maximinus dus in Aquileia. Daarna marcheerden ze naar Rome terug, waar inmiddels Gordianus III aan de macht was gekomen. Het legioen was zeven jaar weggeweest.

Het bleef niet lang in Italië. De begraafplaats op de Albaanse Berg bevat geen grafstenen die jonger zijn dan de regering van Gordianus. De volgende dateerbare inscriptie is de grafsteen van een standaarddrager, Felsonius Verus, gevonden in (alweer) Apameia. Diens grafschrift noemt zijn eenheid II Parthica Gordiana, wat bewijst dat het Tweede bij Gordianus was tijdens zijn Perzische Oorlog (242-244).

In februari 249 was het legioen weer in Italië, hoewel niet per se op de Albaanse Berg. In de tussentijd heeft het misschien deelgenomen aan de oorlog tegen de Carpi van Philippus Arabs. In de tweede helft van 249 streed II Parthica voor deze keizer tegen diens rivaal Decius, maar werd het verslagen bij hetzij Verona in Noord-Italië, hetzij Beroea in Macedonië.

Inscriptie van een soldaat van II Parhica (Capitolijnse Musea, Rome)

Latere veldtochten

Inscripties bewijzen dat II Parthica zich gedurende de volgende halve eeuw in allerlei delen van het imperium bevond, maar het is moeilijk de volgorde van de diverse campagnes vast te stellen. Zeker is dat het Tweede Parthische Legioen in het rond 260 uitgebroken conflict tussen de keizers Gallienus (in Italië) en Postumus (in Gallië) eerstgenoemde steunde, waarvoor het werd beloond met bijnamen als Pia V Fidelis V (“vijfmaal trouw en loyaal”), Pia VI Fidelis VI en ten slotte Pia VII Fidelis VII.

Omdat Gallië tot 274 onafhankelijk was, kan een in Bordeaux gevonden inscriptie met vermelding van II Parthica daar pas in het laatste kwart van de derde eeuw zijn achtergelaten. Een inscriptie uit Arabia Petraea behoort mogelijk tot Aurelianus’ campagnes tegen keizerin Zenobia van Palmyra, dus ruwweg 272-273. Andere inscripties zijn te vinden in Thracië, Numidië en Cilicië. Zoals gezegd: ondateerbaar.

Het Tweede Parthische Legioen bevond zich aan het begin van de vierde eeuw in Italië en is vrijwel zeker ontbonden door Constantijn de Grote. Na zijn overwinning bij de Milvische Brug (oktober 312) reorganiseerde hij namelijk het stedelijk garnizoen. In elk geval wordt niet meer vermeld in onze bronnen of op inscripties.

Hoewel – er is een uitzondering. Rond 400 was een legioen met dezelfde naam, samen met II Armeniaca en II Flavia, gelegerd in Bezabde aan de Tigris, het huidige Cizre. Deze eenheid moet teruggaan op een verzelfstandigde onderafdeling, maar het kan ook een afsplitsing zijn van het in de buurt gelegerde I Parthica. In elk geval kon deze eenheid de verovering van Bezabde door de Perzen in 360 niet voorkomen, waarna II Parthica definitief verdwijnt.

#Alamannen #AlbaanseBerg #Apameia #Aquileia #Aurelianus #Balbinus #Bezabde #Bordeaux #Caracalla #Cizre #ConstantijnDeGrote #CrisisVanDeDerdeEeuw #Decius #FelsoniusVerus #Gallienus #GallischeRijk #GordianusIII #Heliogabalus #IParthica #IIArmeniaca #IIFlavia #IIParthica #IITraianaFortis #IIIGallica #inscriptie #legioen #Macrinus #Mainz #MaximinusThrax #Palmyra #ParthischeRijk #PhilippusArabs #Postumus #PraetoriaanseGarde #Pupienus #RomeinsLeger #SeptimiusSeverus #SeverusAlexander #VMacedonica #Worms #Zenobia

2022-03-06

Neplatijn

Inscriptie ter ere van Gaius Duillius (Capitolijnse musea, Rome)

De Eerste Punische Oorlog was de langste en (volgens historicus Polybios) grootste oorlog uit de oude geschiedenis. Zonder onderbreking duurde het conflict van 264 tot 241 v.Chr., een lengte die te verklaren is door het feit dat de Romeinen op land superieur waren en de Karthagers op het water. Een landmacht tegen een zeemacht: dat moet wel een ingewikkeld conflict zijn. Door gebruik te maken van enterbruggen slaagden de Romeinen er echter in de strijd op zee zó te veranderen dat ze leek op een landslag en konden ze de gevechten naar hun hand te zetten.

De Romeinse historicus Titus Livius schreef over de zeeslag bij Mylae, die plaatsvond in het jaar dat wij 260 v.Chr. noemen:

Consul Gaius Duillius vocht met succes tegen de Karthaagse vloot en vierde als eerste Romeinse veldheer een triomf na een overwinning ter zee. Om deze reden werd hem ook een blijvend eerbewijs toegekend: wanneer hij terugkeerde van een maaltijd werd hij voorafgegaan door een fakkeldrager en begeleid door fluitspel. (Periochae 17.2)

Neplatijn

Twee-en-halve eeuw later liet keizer Augustus het Forum Romanum renoveren en omdat hij ook eens een overwinning had geboekt in de Siciliaanse wateren, wilde hij naast het sprekersplatform (Rostra) een leuke erezuil voor zichzelf. Augustus zijnde Augustus wilde hij echter niets doen waarvoor niet een republikeins precedent bestond, zelfs als dat moest worden verzonnen. In dit geval was Gaius Duillius’ gewonnen zeeslag een erkend historisch feit, waar Augustus maar wat graag een erezuil voor oprichtte. Zo kon hij zijn staatsgreep wat meer presenteren als herstel van een in wezen republikeins stelsel.

Het probleem was dat er geen inscriptie was uit de derde eeuw. Die moest dus worden verzonnen en dus ontstond er iets in fake-Latijn. Dit is het Romeinse equivalent van kapperszaken in onze tijd die dan “In den ouden haerwinckel” heten. Tekst en vertaling van het eerbetoon aan Gaius Duillius vindt u hier.

De inscriptie is te zien in de Capitolijnse Musea in Rome.

Boekpresentatie

Mijn boek over de Eerste Punische Oorlog, De vergeten oorlog, bestelt u hier. De boekpresentatie is aanstaande dinsdagmiddag in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. U kunt er gewoon naartoe komen.

#Augustus #CapitolijnseMusea #EerstePunischeOorlog #ForumRomanum #GaiusDuillius #inscriptie #Italië #Rome #Rostra #zeeslagBijMylae

2025-06-21

Faits divers (38)

Grafsteen waarop de naam “Wittiza” voorkomt. (© Pau Marimon Ribas & Jordi Pérez González)

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer Spanje, de joodse Bijbel, archeatrie en een nuttige webpagina van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Spanje

Mocht u ooit nog eens besluiten een koninkrijk te annexeren, dan is het slim om te wachten tot het moment waarop de opvolging ter discussie staat. Alexander onderwierp een verdeeld Perzië, Saladin profiteerde van een verdeeld Koninkrijk Jeruzalem en de Arabische commandant Tariq had, toen hij in 711 overstak van de Maghreb naar het Iberische Schiereiland, de mazzel dat de dynastie in het Rijk van Toledo verdeeld was. Koning Wittiza was dood en Roderik (Rodrigo) had zijn macht nog niet werkelijk gevestigd toen Tariq hem ergens in de regio van Cádiz versloeg en het hele Iberische Schiereiland opeiste voor het Umayyadische Kalifaat van Damascus.

Bij deze belangrijke gebeurtenis zijn heel veel zaken onduidelijk. Is Wittiza vermoord? Wanneer overleed Wittiza? Hoe lang regeerde hij? Wie waren Roderiks tegenstanders vóór hij het opnam tegen Tarik? Het zijn geen wereldschokkende kwesties, want het enige relevante feit is dat Tarik Roderik overwon, maar in het Zeitschrift für Papyrologie und Epigrafik is zojuist een nieuw puzzelstukje gepubliceerd. Het gaat om een niet heel spectaculaire Latijnse inscriptie, die bewijst dat Wittiza in maart 709, zijn negende regeringsjaar, nog in leven was. Dit is in lijn met de enige andere inscriptie van deze vorst, die in de zeventiende eeuw was te zien in een klooster in Madrid maar sindsdien zoek is; deze vermeldt Wittiza als koning in 700. We weten nu dus met iets meer zekerheid wanneer de laatste koning van post-Romeins Spanje regeerde, niet meer en niet minder. Het is geen krantenartikel waard, maar wel een deel van een blogje met faits divers.

De joodse Bijbel

De joodse Bijbel bestaat uit ruwweg drie delen: de Wet (Genesis tot en met Deuteronium), het tussen 620 en 585 v.Chr. samengestelde Deuteronomistisch Geschiedwerk (Jozua tot en met 2 Koningen) en de rest. De twee eerste delen gaan terug op eerdere bronnen, die verloren zijn gegaan maar die geleerden al sinds de achttiende eeuw proberen te identificeren. Nog altijd kun je veelkleurige “regenboogbijbels” kopen waarin elke kleur een andere redacteur identificeert.

Aan de stilistische, linguïstische, theologische, historische en archeologische argumenten is nu de artificiële intelligentie toegevoegd – feitelijk een specifieke vorm van stilistisch en linguïstisch onderzoek. De weinig verrassende conclusie is dat de oudste delen van Deuteronomium en het Deuteronomistisch Geschiedwerk nauwer met elkaar verwant zijn dan met de delen van de Wet die eerdere onderzoekers rekenen tot de zogeheten priesterlijke redactie.

We weten iets dat we al wisten dus iets beter. Dat is geen krantenartikel waard, maar wel een deel van een blogje met faits divers. En nu de methode blijkt te werken, kun je verwachten dat ze wordt losgelaten op andere delen waarvan onderzoekers zich afvragen welke delen door welke auteur zijn geschreven.

Archeatrie

Een psycholoog bestudeert de menselijke ziel en een psychiater geneest de ziel. Zou het niet logisch zijn, opperde mijn zakenpartner ooit, als er naast archeologen ook archeaters waren – mensen die een opgraving herstelden naar de oorspronkelijke staat? Dat was, een grap, vanzelfsprekend, en ik denk eraan terug omdat de grap op een satirische site opnieuw is gemaakt.

Er is echter een serieus aspect: wat is de oorspronkelijke staat? Een voorbeeld: toen het Parthenon in Athene werd teruggebracht naar de oorspronkelijke staat, werden Byzantijnse aanslibsels verwijderd, die ook een zekere waarde hebben. Deze thematiek is voer voor erfgoedspecialisten en boeiend.

Tot slot

Ik brom vaak over het feit dat archeologen zichzelf vaak presenteren met vondsten en nooit met archeologie. Afgaand op de publieke media, concludeer je dat archeologen louter trivia produceren en geen bijdrage leveren aan de (sociale) wetenschappen. Graag erken ik dat het ook weleens goed gaat: dit is een nuttige pagina.

Tot zover deze aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks Faits divers.

#artificiëleIntelligentie #DeuteronomistischGeschiedwerk #Deuteronomium #erfgoed #FaitsDivers #inscriptie #KalifaatVanDamascus #RijkVanToledo #Roderik #stylometrie #TariqIbnZiyad #Wittiza

2025-05-06

Een Thracische huurling in Numidië

Grafstèle van een Thracische huurling (Archeologisch museum, Constantine)

Onderzoek in wat destijds bekendstond als de Franse departementen Oran, Algiers en Constantine, midden twintigste eeuw. In 1929 publiceerde Stéphane Gsell het eerste deel van Inscriptions latines de l’Algérie, dat alleen nog maar het oostelijkste deel van het oostelijkste departement bevatte. Hoe lastig de productie van dit boek was verlopen, blijkt wel uit het feit dat het officiële jaar van publicatie 1922 was: het boek heeft zeven jaar op de plank gelegen. Deel twee, dat de westelijke helft van het departement besloeg, verscheen in 1957. Het overlijden van Gsell, de Tweede Wereldoorlog en de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog hadden nogal wat problemen veroorzaakt, om het eufemistisch uit te drukken.

Dat bemoeilijkte ook vervolgonderzoek. Sommige inscripties vragen nog altijd om nadere inspectie, zoals de bovenstaande stèle, die we alleen kennen uit het deel uit 1957, alsmede een notitie van Jeanne Robert-Vanseveren en Louis Robert, de twee grootste epigrafen (inscriptiekenners) van de moderne tijd. De stèle is afkomstig uit het El-Hofra-heiligdom te Constantine, waarover ik al eens eerder blogde. Ze dateert uit de tweede eeuw v.Chr. De Roberts voegden aan de tekst van de inscriptie toe dat op de vindplaats ook diverse wijdingen waren gevonden aan de god Baäl-Hammon en aan de godin Tanit in haar rol van “aangezicht van Baäl”.

Dat stond vijf jaar geleden eveneens op het bordje met toelichting in het museum van Constantine: het gaat om een vijfregelige, in Griekse letters geschreven Punischtalige wijding aan Baäl-Hammon en Dame Tanit, aangezicht van Baäl. Ik vermoed dat degene die het bordje opstelde, de tekst niet begreep en de toelichtende woorden van de Roberts verkeerd heeft uitgelegd, want het gaat feitelijk om een grafschrift dat is gevonden bij dat heiligdom. En het gaat om een doodnormale Griekse tekst, al bevat die wel enkele Punische namen.

Μυθυνιβαλ Ἁμμιλ-
καρος σEεραλις ἔστησε
τὸ μνημεῖον τοῦτο
Ἀπολλοθέμιδι Θρᾳκὶ
Ἀσκληπιοδώρου

Mattanbaäl, zoon van Hammil-
kar sEeralis richtte
deze grafstèle op voor
Apollothemis de Thraciër,
zoon van Asklepiodoros.

Een Thracische huurling dus, in dienst van de Numidische koning Massinissa of een van zijn zonen, of misschien Jugurtha. En de inscriptie is dus opgericht door een vriend met een Punische naam: Mattanbaäl, “geschenk van Baäl”. Die naam is nog eeuwen populair gebleven in de regio, zij het in vertaling. Augustinus noemde zijn zoon Adeodatus.

Het probleem waarvan je hoopt dat er eens iemand naar gaat kijken, is het tweede woord in de tweede regel: σEεραλις. Ik heb de Latijnse hoofdletter E maar ingevoegd omdat het tweede teken daar nog het meeste op lijkt.

Tweede regel: -καρος σEεραλις ἔστησε (klik=groot)

We hebben geen idee wat σEεραλις betekenen kan. Is het de achternaam van Hamilkar? Dat kan. Het kan ook een functie zijn. Het woord kan Punisch zijn, maar – gegeven de vindplaats niet onwaarschijnlijk – eveneens het slecht begrepen Numidisch. Zolang we de tweede letter niet kennen, tasten we in het duister en weten we alleen dat het geen Grieks is.

Daar zou eens iemand naar moeten kijken. Eventueel met scan-apparatuur en de AI-techniek waarmee een paar jaar geleden ook de Mesha-stèle is onderzocht. Dat leverde destijds een onverwachte tweede vermelding op van koning David. Zo’n verrassing ligt nu natuurlijk niet in het verschiet, maar er zijn specialisten die heel blij worden als er een extra woord wordt ontcijferd in de vrijwel onbekende Numidische taal.

In elk geval: we hebben te maken met een Thraciër in Numidische dienst, bevriend met een Karthager die schreef in het Grieks. Alles loopt weer eens vrolijk door elkaar en dat is eigenlijk wel zo leuk.

[Dit was het 494e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Adeodatus #Algerije #BaälHammon #Constantine #ElHofra #epigrafie #huurlingen #inscriptie #JeanneRobertVanseveren #LouisRobert #Numidië #StéphaneGsell #Tanit #Thracië

2025-02-23

Lysanias van Abila

Een inscriptie die een Lysanias verneldt – maar welke?

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, schrijf ik op zondag vaak over de joods-Romeinse wereld van het Nieuwe Testament. Inmiddels zijn we beland in een kleine “sub-serie” over mensen die ook bekend zijn uit andere bronnen dan de Bijbel, en vandaag moet dat maar eens een Syriër zijn: Lysanias. Niet het bekendste personage. Hij heeft precies één vermelding:

In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde, en Herodes tetrarch was over Galilea, zijn broer Filippos over het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene, en toen Ananos en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias.noot Lukas 3.1-2; NBV21.

Tweemaal Lysanias

De evangelist Lukas doet zijn best het optreden van Johannes de Doper exact te dateren en geef en passant een schets van de Joodse wereld: Kajafas hogepriester, Ananos als de machtige patriarch van Kajafas’ familie, in het zuiden de Romeinse provincie Judea, en verder de herodiaanse vorsten Herodes Antipas en Filippos in de wat noorderlijker gebieden. En Lysanias was dus tetrarch in Abilene, dat wil zeggen in een stukje van het Antilibanon-gebergte aan weerszijden van de weg van de Bekaavallei naar Damascus. De titel van tetrarch werd gegeven aan heersers die regeerden over een gedeelte van een ouder, groter rijk. Later zou de tetrarchie van Abilene worden toegewezen aan Herodes Agrippa I.

En dit, beste lezers, is alles wat we over Lysanias weten. Hij was tetrarch van Abilene in het vijftiende regeringsjaar van Tiberius, zo rond 28 na Chr. We kunnen verder nog wat speculeren: een ruime halve eeuw eerder, rond 40 v.Chr., was een andere Lysanias hier aan de macht. Dat kan zijn opa of een oudoom zijn geweest.

Inscriptie

En dan is er nog de hierboven afgebeelde inscriptie. Die is in 1912 bestudeerd door de Franse archeoloog Raphaël Savignac en bleek letterlijk dezelfde tekst te bevatten als een eerder ontdekte inscriptie, die echter op dat moment al verloren was.

Voor het welzijn van Heren Augusti en hun gehele huis heeft Nymfaios, zoon van Abimmes, vrijgelatene van de tetrach Lysanias, de weg laten aanleggen, de tempel laten bouwen en de gehele beplanting verzorgd, op eigen kosten, voor heerser Kronos en zijn vaderland, uit vroomheid.noot Revue biblique 1912, 536; vertaling Gert Knepper.

Kronos is de Griekse naam van de oud-oosterse god El. Het vervelende is nu dat (voor zover ik weet) niemand de herontdekte inscriptie ooit nog heeft gezien; we hebben dus alleen deze afbeelding uit 1912. Savignac meende dat de inscriptie alleen kon slaan op “onze” Lysanias, omdat Abilene later was toegewezen aan Herodes Agrippa. De verwijzing naar de heren Augusti, meervoud, suggereert echter een veel latere datering, toen er meer dan één keizer was. Het is helemaal niet uitgesloten dat Nymfaios de vrijgelatene is geweest van een nog latere, derde Lysanias.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#AnanosI #Antilibanon #El #EvangelieVanLukas #FilipposHerodiaan_ #HerodesAgrippaI #HerodesAntipas #inscriptie #JohannesDeDoper #Kajafas #Kronos #LysaniasVanAbila #NieuweTestament #PontiusPilatus #RaphaëlSavignac #Syrië

2025-01-22

Kindergraf

Kindergraf (Archeologisch museum, Mérida)

Het is lang geleden dat ik Mérida bezocht, het antieke Augusta Emerita, in het westen van Spanje. En ik baalde ervan dat ik de afgelopen maanden niet naar Xanten kon, waar een expositie was over de Spaanse stad. Gelukkig was iemand zo vriendelijk me foto’s te sturen, zoals de bovenstaande. In de databank van Manfred Clauss en Wolfgang Slaby staat deze tweede-eeuwse inscriptie bekend als EDCS-42700176.

D(is) M(anibus) s(acrum)
Vicarius Iuv(entii) Vitalis
ser(vus) vixit an(nos) III m(enses) IX
d(ies) XVIIII. H(ic) s(itus) e(st). S(it) t(ibi) t(erra) l(evis)
Cornelia Corinthia
Anna f(aciendum) c(uravit)

Ofwel

Aan de goddelijke schimmen gewijd.
Vicarius, slaaf van Juventius Vitalis,
leefde 3 jaar, 9 maanden, 19 dagen.
Hij ligt hier. Moge de aarde licht voor je zijn.
Cornelia Corinthia Anna
heeft dit laten maken.

Er zijn wat onduidelijkheden. Misschien heette degene die het graf liet maken feitelijk “Cornelia uit Korinthe”, en mogelijk is Anna een tweede persoon, zodat de laatste Latijnse afkorting niet moet worden aangevuld als curavit maar met het meervoud curaverunt. En de eigenaar van de slaaf kan ook een eigenares zijn geweest, Juventia Vitalis. Verder lees ik Vicarius hier als naam, maar het kan horen bij servus, en een servus vicarius was een slaaf die eigendom was van een andere slaaf; de woordvolgorde is dan echter wat raar. Ik laat deze details even wat ze zijn, want de precieze tekst is niet waar het me om gaat.

Het eerste waarop ik de aandacht wil vestigen is de naam Anna, of Hanna: een oosterse naam. Cornelia Corinthia Anna zou een slavin kunnen zijn geweest. Een slavin met eigen vermogen, peculium, waarmee ze een steenhouwer kon betalen om een fatsoenlijk grafschrift te maken.

Maar wat mijn aandacht vooral trok is de leeftijd en stand van de overledene: een onvrije van drie. Romeinse kleutergraven zijn goed gedocumenteerd, slavengraven eveneens, maar een inscriptie met deze combinatie kende ik nog niet.

Ik stel me voor dat het een vrolijk blaag is geweest, Vicarius, het kind van Juventius Vitalis en zijn slavin Anna. Iedereen hield van het joch en daarom liet zijn moeder een mooie grafsteen maken. Waarom niet de vader? Ik heb geen idee. Misschien was hij dood. Misschien heeft Anna zich hier postuum van de man gedistantieerd. Kortom, een inscriptie die spreekt tot de verbeelding.

In elk geval: een grafschrift voor een onvrije kleuter. In de literaire teksten is dat niet helemaal zonder parallel, maar een inscriptie is bij mijn weten ongebruikelijk. En ze vertelt ons iets over slavernij en moederliefde.

[Dit was het 480e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#AugustaEmerita #epigrafie #inscriptie #kind #Mérida #peculium #slavernij #Spanje

2024-12-03

Faits divers (29): ontdekkingen

Decius (Capitolijnse Musea, Rome)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer zomaar wat oudheidkundige ontdekkingen.

***

Wapenoffer

Eerst maar eens een gewone ontdekking: een Germaanse wapenvondst bij Hedensted, dat u aan de oostkant van Jutland moet zoeken, iets ten noordwesten van Funen. De Germanen hadden in de eerste eeuwen van onze jaartelling de gewoonte zo nu en dan enorme aantallen militaire objecten in moerassen te werpen. Ze zijn vooral bekend uit Denemarken en het zuiden van Zweden. Archeologen nemen aan dat het krijgsbuit was, omdat ook de menselijke resten weleens worden gevonden. Bij de depositie die bij Hedensted is gevonden, behoort een kostbaar pantserhemd.

Ik heb niet de indruk dat we nu ons beeld van de Germaanse samenleving moeten veranderen. De geschiedenisboekjes hoeven niet herschreven te worden. Het is geen unieke vondst. En Hedensted is ook het Pompeii van Jutland niet. Het is gewoon een vondst, niet meer, niet minder. Maar wel een vondst uit categorie waar ik niet al te veel over schrijf. Dus vandaar.

Damnatio memoriae

Dan: een ontdekking van lang, lang geleden. Uit 1990, om precies te zijn. Het gaat om een Latijnse inscriptie die is aangetroffen in het badhuis van het Romeinse fort te Cherson op de Krim. De tekst, die bekendstaat als EDCS-03000793, is gedateerd in het tweede consulaat van keizer Decius (berucht van een christenvervolging die niet was wat ze lijkt) ofwel het jaar 250 na Chr. Het grappige is nu dat er sprake is van een damnatio memoriae, terwijl deze keizer nu net onder de goden is opgenomen. De ontdekkers opperen dat de steenhouwer die de inscriptie vervaardigde, zelf alvast maar de naam doorkraste, omdat dit bij de meeste van Decius’ voorgangers ook was gebeurd. Een proactieve damnatio dus. Meer informatie hier.

Straalstroom

Dan is er nog een ontdekking die nog niet is gedaan, maar binnen handbereik komt. De Belgische dendroklimatologe Valerie Trouet, over wie ik het eerder heb gehad, is erin geslaagd om voor de afgelopen zeven eeuwen te documenteren hoe de straalstroom verschoof. Simpel samengevat: als de straalstroom zich op hoge breedten bevindt, is het nat en koel op de Britse eilanden en is het droog en warm in zuidelijk en oostelijk Europa. Zoiets kan Trouet afleiden uit jaarringen. Dit correspondeert met bosbranden, mislukte oogsten en hogere graanprijzen in het zuiden, en met ziektes in Britannië. Bevond de straalstroom zich zuidelijker, dan verspreidden ziektes zich op het Continent. Meer informatie hier.

Onderzoekers hebben nu dus de dendroklimatologische signatuur te pakken voor een reeks maatschappelijke verschijnselen. Het is gewoon wachten tot soortgelijke conclusies gaan komen over de Volle Middeleeuwen, de Late Oudheid, de Romeinse tijd en nog dieper naar het verleden.

Koning Salomo

Dan een ontdekking die ik niet snap. In Turkije is een laatantiek Romeins amulet gevonden met een afbeelding van een drakendoder. Daarvan gaan er dertien in een dozijn en meestal zeggen archeologen dan dat het bijvoorbeeld Sint-Theodoros is. Nu noemen ze het koning Salomo. De webpagina noemt voor die identificatie geen argumenten; de onderliggende Turkse pagina evenmin. Wel worden op het amulet aartsengelen genoemd, maar dat zegt nog niet dat de afgebeelde drakendoder koning Salomo is. Ook de mensen met wie ik erover sprak op Facebook, weten het niet.

Ik sluit niet uit dat het gewoon Sint-Theodoros is. Anders gezegd: een gevalletje oudheidkundige standaardoverdrijving. Zie ook dit bericht, met een paar tekens op een zegeltje, die meteen worden gehypet alsof de geschiedenis van ons schrift heel anders is dan gedacht. Misschien waar. Misschien ook niet. Wat ik maar zeggen wil: niet alle oudheidkundige ontdekkingen zijn ontdekkingen.

#Cherson #damnatioMemoriae #Decius #dendroklimatologie #Denemarken #depositie #drakendoder #FaitsDivers #Hedensted #inscriptie #koningSalomo #Krim #SintTheodoros #straalstroom #ValerieTrouet

De ArcheoloogDeArcheoloog
2024-02-23

Archeologen hebben tijdens de restauratie van de bekende middeleeuwse van de oude in Polen een laatmiddeleeuws tinnen liefdes- ontdekt in de vorm van een duif (waarschijnlijk een ) met de Latijnse : 'AMOR VINCIT OMNIA' – 'Liefde overwint alles'.
medievalists.net/2024/02/medie

De ArcheoloogDeArcheoloog
2023-06-01

Een in - en schrift op een kerkmuur in Holbaek op het Deense eiland blijkt een rechtsgeldig van 800 jaar oud te zijn. De tekst is: "Toke nam zilver in bruikleen van Ragnhild. Mei in het heilsjaar 1210."
arkeonews.net/an-inscription-w

De ArcheoloogDeArcheoloog
2022-11-21

Onderzoekers hebben mogelijk de oudst bekende in het gevonden op een plat stuk van 2000 jaar oud in de vorm van een hand. vonden het in juni 2021 bij het kasteel van ten zuiden van .
msn.com/nl-be/nieuws/overig/wo

Client Info

Server: https://mastodon.social
Version: 2025.07
Repository: https://github.com/cyevgeniy/lmst